integriteit

vrouwelijk (de)/ɪntəɣriˈtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
    Iemands integriteit in twijfel trekken.
    De douane kon op zowel ondemocratische als iemands integriteit schendende wijze naar smokkelgeld zoeken.
  2. betrouwbaarheid van gegevens in het kader van informatiebeveiliging

Etymologie

*Van het Engelse integrity of het Franse intégrité, van het Latijnse 'integritas'

Vertalingen

Engelsintegrity
Fransintégrité
DuitsIntegrität
Spaansintegridad