internet
onzijdig (het)/ˈɪntərˌnɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (telecommunicatie) een wereldwijd netwerk van computers met een gemeenschappelijk, gestandaardiseerd protocol (het Internet Protocol, IP)Ik ga mijn vervanger nu via internet begeleiden, gewoon vanuit Nederland.Hoelang zit jij per dag op internet?De snelle groei van het internet heeft gezorgd voor een enorme handel in nepmedicijnen.[https://www.ed.nl/gezondheid/internet-faciliteert-handel-in-nepmedicijnen~a7408bb5/ Internet faciliteert handel in nepmedicijnen], Eindhovens Dagblad, 14 juni 2012
Etymologie
* afgeleid van net (van het Latijnse inter “tussen”)
Vertalingen
EngelsInternet, internet
FransInternet, internet
DuitsInternet
Spaansinternet
Italiaansinternet
Poolsinternet
ZweedsInternet, internet
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek