invoer

mannelijk (de)/ˈɪɱvur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toevoeging van buiten aan een proces
  2. economie (economie) goederen uit het buitenland het land inbrengen om (soms: na bewerking) te verkopen
  3. economie (economie) hoeveelheid ingevoerde goederen (vanuit het buitenland)
  4. techniek (techniek) toevoer van energie aan een systeem
  5. informatica (informatica) toevoer van informatie aan een systeem

Etymologie

*[B] op te vatten als

Vertalingen

Engelsinput
Spaansimportación