ironicus

mannelijk (de)/iˈroniˌkʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die zich spottend uitlaat over andere personen of zaken
    De presentator groeide op in Twente, waar het Enschedese Volksparkcircus hem inspireerde, maar waar hij zich als ironicus niet begrepen voelde. Vanwege zijn dagdromerij werd hij van de middelbare school in Hengelo afgehaald en naar de kostschool in Oldenzaal gestuurd. Tubantia Marthy Rothe 06-06-07 [https://www.tubantia.nl/overig/gert-jan-droge-overleden-64~ace37432/ Gert- Jan Droge overleden (64)]
    27. Nader tot U (1966) G.K. van het Reve Het tweede brievenboek van de onverbeterlijke ironicus. HP de Tijd MAX PAM 20 JUN 1999 [https://www.hpdetijd.nl/1999-06-20/max-pams-honderd-beste-boeken-uit-de-nederlandse-literatuur-van-1900-2000/ Max Pams honderd beste boeken uit de Nederlandse literatuur van 1900-2000]

Etymologie

* afleiding van ironie