jacht
/jɑxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (f)/(m) het achtervolgen van wilde dieren met als doel ze te doden en op te etenLiefhebbers van de jacht op groot wild hadden vaak als eersten oog voor het belang van natuurbescherming.' Teresa bloosde weer, want zo dacht ze inderdaad, pragmatisch, als een jakhals op jacht naar vlees.Zwaluwen doken om mijn oren en voor me uit. Soms vlogen ze zo laag tijdens hun jacht op insecten dat ik ze bijna kon aanraken.
- (f)/(m) (figuurlijk) het achtervolgen van (vermeende) misdadigers door o.a. de politieEn aan de linkerzijde had je een zootje ongeregeld dat - ondanks de plakkaten die Harold in Malaga had zien hangen, waarop hun werd gesmeekt om hun politieke beweging en vakbonden niet langer te schande te maken en te stoppen met hun wreedheden - op jacht ging naar gepensioneerde politieagenten, sympathisanten van de katholieke kerk, mensen van wie ze wisten dat ze rijk waren en mensen van wie ze dachten dat ze rijk waren.
- (n) (scheepvaart) een snel vaartuig
- (verouderd) een snel bewapend vaartuig voor verkenning
- een sportvaartuig
- een pleziervaartuigTe Vlissingen lag er een jachtje bereid om naar Oost-Indië te varen. Op de voorplecht stond er een cupido die er speelde op zijn vergulde snaren.
Etymologie
* van jagen ().
Uitdrukkingen
- de jacht naar de moordenaar — het verzoek door de politie, een moordenaar te vinden en te arresteren
Vertalingen
Engelshunt, yacht
DuitsMörderjagd, Verbrecherjagd, Yacht
Spaansyate
Italiaanspanfilo, yacht
Portugeescaça, iate
Russischяхта
Japans狩猟, しゅりょう, shuryou
Poolspolowanie, jacht
Zweedsjakt, mördarjakt, jakt
Deensjagt, jagt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek