jagen
/ˈjaɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg), (jachttaal) bewegende wezens (m.n. wilde dieren) proberen te vangenEr wordt ook gejaagd op herten.Wat vinden ze van hem? Hoe zouden ze reageren als ik zou zeggen dat deze gids met zijn verhalen mijn nieuwe liefde is? 'Dus na uren tevergeefs jagen op de inktvis die we aan onze moeders hadden beloofd, zwemt er ineens een murene voor ons langs'.Zoals John van Salisbury - niet zonder sarcasme - schreef: 'In onze tijd worden de jacht en de valkenjacht door de adel beschouwd als de meest nobele bezigheden en meest excellente deugden, en zij beschouwen het als het toppunt van geluk om al hun tijd aan deze tijdverdrijven te besteden, en ze bereiden zich daarop voor met meer zorg, kosten en vertoon dan op oorlog; en ze jagen met meer furie op die beesten dan op de vijanden van ons land.
- (meteorologie), (intr) (van de wind) hard en vaak luidruchtig blazenDe wind joeg door de bomen.
- (ov) (scheepvaart)(verouderd) het door mens of dier vanaf de wal slepen van schuitenVrachtvervoer vereiste geen grote snelheid en geschiedde nog enige tijd per gejaagde schuiten, terwijl ook grotere vrachtzeilschepen bij windstil weer nog werden gejaagd.
- (intr) zich snel voortbewegenDe auto joeg door kleine dorpjes.
Etymologie
*(erfwoord) van het Middelnederlandse jāghen, Proto-Germaans *jagōn-. Verwant met "jagen", Middelnederduits jāgen, jagōn, jagia. Buiten het continentaal West-Germaans zijn er geen cognaten met zekerheid bekend; mogelijk kwam het woord oorspronkelijk uit een substraattaal.
Vertalingen
Engelshunt, chase, barge hauling
Franschasser, halage
Duitsjagen, treideln
Spaanscazar
Italiaanscacciare
Portugeescaçar
Chinees打猎
Japans狩る, かる, karu
Arabischمطاردة
Turksavlamak
Poolspolować
Zweedsjaga
Deensjage
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek