jackpot

mannelijk (de)/xxxx/

Wat is de betekenis van jackpot?

jackpot betekent: een grote meevaller

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een grote meevaller
  2. een grote prijs bij een loterij die steeds groter wordt als er geen winnaar is.

Voorbeelden van "jackpot" in een zin

  • Toen hij hoorde dat hij was ingeloot voor de geneeskundestudie had hij het idee dat hij de jackpot had gewonnen.
  • De jackpot bevat nu 42 miljoen euro en weer is hij niet gevallen.

Betekenis en uitleg van jackpot

Het woord 'jackpot' verwijst naar een grote prijs of winst, vaak in de context van kansspelen zoals loterijen of gokkasten. Wanneer je de jackpot wint, betekent dit dat je een aanzienlijke som geld of een waardevol item hebt gewonnen, meestal door toeval.

Je gebruikt het woord 'jackpot' vooral wanneer je het hebt over gokken of spelletjes waar prijzen te winnen zijn. Het kan ook figuurlijk worden gebruikt om een onverwachte, grote overwinning of succes in het leven aan te duiden. De nuance van het woord ligt in de opwinding en de kans die ermee gepaard gaat, omdat het vaak gaat om een element van geluk.

Voorbeelden

  • Na jarenlang sparen en spelen, viel de jackpot eindelijk op zijn loterijticket.
  • Toen ze de hoofdprijs in de quiz won, voelde het alsof ze de jackpot had getroffen.
  • De opmerking van haar baas over haar promotie kwam voor haar als een echte jackpot.

Woordoorsprong

Het woord 'jackpot' komt oorspronkelijk uit het Engelse poker en verwijst naar een grote prijs die wordt gewonnen wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Veelgestelde vragen over jackpot

Wat is de betekenis van jackpot?

jackpot betekent: een grote meevaller

Hoeveel betekenissen heeft jackpot?

jackpot heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft jackpot?

jackpot is een mannelijk (de).

Hoe gebruik je jackpot in een zin?

Voorbeeld: “Toen hij hoorde dat hij was ingeloot voor de geneeskundestudie had hij het idee dat hij de jackpot had gewonnen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘de totale inleg’ voor het eerst aangetroffen in 1979