Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

japperen

/ˈjɑpərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door gerichte inspanning snel verplaatsen
    Be Quick speelde ondermaats en miste zelfvertrouwen (of iets dergelijks) aan de bal. Dan is er daar gelukkig nog altijd ene Durk Noordwijk, die een afgeslagen corner het net in japperde.
    'ik japper, wij japperen, jan blokhuijsen heeft volgens zijn vader vandaag gejapperd. huisgehouden op #ekcollalbo. nr 1.'
    'Voorraad? Logischer is om ieder vaccin dat het land binnenkomt zo snel mogelijk ergens in een bovenarm te japperen.'

Etymologie

*aangetroffen vanaf 1941 (zie vindplaats hieronder), een verband met "japperen" "gapen", "japper" "keffen, blaffen" of "jappe" "afraffelen, eruitflappen" is denkbaar, maar niet aangetoondTijdens de in Collalbo is "japperen", opgevat als "keihard door de bocht jagen", zelfs het woord van de dag geweest, dankzij een uitspraak in de media van de Nederlandse schaatser , die naar eigen zeggen zelfs "japperbenen" had.