jaspand

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderste en achterste deel van een jasje zoals dat hoort bij een pak of rokkostuum
    Dit is wat nu gebeurt, op een bewolkte donderdagmorgen in Nederland. Deze twee mannen die daar met wapperende jaspanden en een paar aktentassen over het Binnenhof lopen, nagestaard door de onvermijdelijke Binnenhoftoerist, zijn in mijn -en ik vermoed veler- ogen, eigenlijk nog jongens.

Vertalingen

Engelscoat tail