jurist

mannelijk (de)/jy'rɪst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, juridisch (beroep), (juridisch) een deskundige op het gebied van rechtsleer
    Als jurist was Nixon een meester in wat Roth omschreef als ‘taal die leugens waar doen schijnen, moord fatsoenlijk en voze winderigheid betrouwbaar’, wat een satiricus veel geeft om mee te werken.[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/03/27/welke-parallellen-zijn-er-te-trekken-tussen-nixon-en-trump-de-satirische-roman-the-public-burning-wijst-de-weg-a4887848 www.nrc.nl (27 mrt 2025)]
    En dat kwam heel goed uit omdat ze jurist was en een heleboel vragen had die de andere kameraden waarschijnlijk niet zo interessant vonden.

Etymologie

*afgeleid van Latijnse 'ius' (recht)

Vertalingen

Engelsjurist
Fransjuriste
DuitsJurist
Spaansjurista, letrado