juichen
/jœyɣən/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) op luide wijze vreugde uitenToen bekend werd dat de dictator naar het buitenland gevlucht was, juichten de demonstranten uitbundig.
Etymologie
* In de betekenis van ‘uiting geven aan vreugde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Vertalingen
Engelsshout with joy, be jubilant, cheer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek