juk
onzijdig (het)/jʏk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten (emmers, manden) verbindt
- (figuurlijk) wat iemand wordt opgelegd als last
- (techniek) draag- of verbindingsconstructie
Etymologie
* In de betekenis van ‘trektuig voor dieren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelsyoke
Fransjoug
Spaansyugo
Italiaansgiogo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek