juk

onzijdig (het)/jʏk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten (emmers, manden) verbindt
  2. figuurlijk (figuurlijk) wat iemand wordt opgelegd als last
  3. techniek (techniek) draag- of verbindingsconstructie

Etymologie

* In de betekenis van ‘trektuig voor dieren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelsyoke
Fransjoug
Spaansyugo
Italiaansgiogo