kaarsroet
onzijdig (het)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vet waarvan een vetkaars is gemaaktHet behangsel droeg ettelijke sporen van de stormen, die onder de regeering der studenten, mijne voorgangers, in dit verblijf gewoed hadden, en te elken keer dat men de deur opende, steeg er van onder uit den kruidnierswinkel een gemengde geur op van haring en kaas, van stokvisch en citroenen, kaarsroet en gedroogde appelen, waaraan men zich met der tijd gewennen moest. Uit het Studentenleven (1874)–Anton Bergmann [https://www.dbnl.org/tekst/berg062erne01_01/berg062erne01_01_0006.php Uit het studentenleven.]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek