kaart

mannelijk/vrouwelijk (de)/kart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
    Op de kaart stond namelijk dat er over 15 kilometer een meertje (Lake Morena) zou zijn, maar ik liep erg langzaam en het werd al laat.
    Behalve digitale kaarten op mijn telefoon droeg ik ook papieren kaarten en een kompas met me mee, maar al na een aantal weken gooide ik alle papieren kaarten weg om gewicht te sparen.
  2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
    Ik stuur je een kaartje.
    Zet je vertrekdatum alvast in je agenda en stuur me een kaartje als je onderweg bent, zo kan ik ook een beetje van jouw avontuur meegenieten.
  3. kaartspel (kaartspel) een kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
  4. horeca (horeca) kaart of klein boekje in een horecagelegenheid met een overzicht van wat er zoal besteld kan worden
  5. papieren of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname

Etymologie

*van "carte", in de betekenis van ‘landkaart’ aangetroffen vanaf 1532, in die van ‘speelkaart’ vanaf 1599

Uitdrukkingen

  • De kaart kennenUit ervaring weten hoe je iets moet aanpakken|n=3
  • alles op één kaart zetten
  • Al zijn geld op één kaart zettenn=3
  • De kaart trekken van...Iets opvoeren als een argument om iets anders te onderbouwen of rechtvaardigen|n=3
  • De kaarten verspelenGeen goede argumenten meer hebben|n=3
  • Een onhaalbare kaartEen doel wat in de praktijk niet valt te realiseren|n=1
  • Iets op de kaart zettenn=1
  • Doorgestoken kaartn=3

Vertalingen

Engelsmap, card, card
Franscarte, carte, carte
DuitsKarte, Karte, Karte
Spaansmapa
Italiaanscarta
Portugeesmapa
Russischкарта
Poolsmapa
Zweedskarta
Deenskort