kaarter

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die een kaartspel speelt
    Met zijn schoonzus en een ander echtpaar hebben ze een wekelijkse kaartmiddag die om en om bij een van de kaarters thuis wordt gehouden. De Telegraaf 20 dec. 2013 [https://www.telegraaf.nl/vrouw/1021993/hij-mist-zijn-maatje-echt-enorm 'Hij mist zijn maatje echt enorm']
    De enige tafel bij het raam in de kantine van voetbalvereniging Amstelveen-Heemraad doet elke zaterdagmiddag dienst als klaverjastafel, al tientallen jaren. Maar weinigen weten dat zich onder deze kaarters vier winnaars van de Kromhoutmotor bevinden. Het Parool 28 MEI 2008 [https://www.parool.nl/sport/-het-was-een-zwaar-kolereding~a14987/ Het was een zwaar kolereding]
    Pokeraar Eric van den Burg verwacht geen GTST-taferelen in de items over de mens achter de kaarter. Er bestaat een eng beeld van pokeren. Pokeren om geld mag niet in Nederland, alleen in besloten kring. Het Parool 9 FEBRUARI 2009 [https://www.parool.nl/amsterdam/advocaat-plasman-gaat-pokeren~a158302/ Advocaat Plasman gaat pokeren]

Etymologie

* van kaarten