kalkoen
mannelijk (de)/kɑlˈkun/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (hoendervogels) (landbouw) bepaald soort gedomesticeerde vogel,
- (voeding) vlees van de hoendervogels , traditioneel vaak rond Kerstmis gegeten
Etymologie
*(verkorting) van "kalkoense haan", dat verwijst naar "Calcoen" als toenmalige benaming voor de havenstad in het zuidwesten van India, in de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in 1551
Vertalingen
Engelsturkey
Fransdinde, dindon
DuitsTruthahn, Truthenne
Spaanspavo
Italiaanstacchino
Portugeesperu
Russischдикая индейка
Chinees火鸡
Japans七面鳥
Arabischديك هندي, ديك رومي
Turkshindi
Poolsindyk
Zweedskalkon
Deenskalkun
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek