kampeerder

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, kamperen (persoon), (kamperen) iemand die, gewoonlijk tijdens de vakantie, in een tent bivakkeert
    Het noodweer heeft de kampeerders zwaar getroffen.

Etymologie

* van kamperen

Vertalingen

Engelscamper
DuitsCamper