kandij

vrouwelijk (de)/kɑn'dɛɪ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) gekristalliseerde, vaak bruine suiker in klontvorm
    In Groningen gebruikt men vaak kandij in de koffie.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘soort suikerklontjes’ voor het eerst aangetroffen in 1397

Vertalingen

Franscandi
Spaansazúcar cande, azúcar candi, candí