kaak
mannelijk/vrouwelijk (de)/kak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) het beendergestel dat de mondholte omsluit en waarin de tanden en kiezen geplaatst zijnDe dode dolfijn had een aangeboren afwijking en een gebroken kaak.Mijn stem ontneemt anderen dus ook wel eens de gelegenheid om zelf hun mening te laten horen. Soms kwam ik na mijn werk thuis met een stijve kaak van het praten.
- (anatomie) een wangHij gaf haar een kus op de kaken.
- (juridisch) een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers tentoon werden gesteld
- (voeding) hard meelgebak
Etymologie
* In de betekenis van ‘schandpaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1340
Uitdrukkingen
- Zwijgen, niets zeggen.
- Blozend van schaamte.
- Holle wangen.
- Iemand onder de aandacht brengen.
- Iets (verkeerds) onder de aandacht brengen.
Vertalingen
Engelsjaw, cheek, pillory
Fransmâchoire
DuitsKiefer, Wange, Schandpfahl
Spaansmandíbula
Portugeesmandíbula
Turksçene, çene kemiği
Poolsżuchwa, szczęka
Zweedsskampåle
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek