kano
mannelijk (de)/ˈkano/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- rank bootje dat men door middel van een peddel voortbeweegtDe groep voer met een kano op de wilde rivier.
- (voeding) een langwerpige, met amandelspijs gevulde koek
Etymologie
*afkomstig van : canoa, op zijn beurt door Columbus ontleend aan het Taino kanoa: uitgeholde boomstam
Vertalingen
Engelscanoe
Franscanoë
DuitsKanu
Spaanscanoa
Italiaanscanoa
Russischканоэ
Zweedskanot
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek