kano

mannelijk (de)/ˈkano/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rank bootje dat men door middel van een peddel voortbeweegt
    De groep voer met een kano op de wilde rivier.
  2. voeding (voeding) een langwerpige, met amandelspijs gevulde koek

Etymologie

*afkomstig van : canoa, op zijn beurt door Columbus ontleend aan het Taino kanoa: uitgeholde boomstam

Vertalingen

Engelscanoe
Franscanoë
DuitsKanu
Spaanscanoa
Italiaanscanoa
Russischканоэ
Zweedskanot