kansel
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een kerkelijk, meestal verhoogd, meubelstuk waarvanaf de voorganger in de dienst zijn preek uitspreektDe kerkgangers werden vanaf de kansel door de predikant toegesproken.
Etymologie
*afgeleid van het Duitse Kanzel
Vertalingen
Engelspulpit
Spaanscátedra, púlpito
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek