Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

kansenparel

vrouwelijk (de)/ˈkɑnsə(n)ˌparəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) immigrant uit een niet-westers land
    Ik heb medelijden met de onderwijzer Nederlands die judaskus, salomonsoordeel, jobstijding, jakobsladder en kaïnsteken moet uitleggen aan een zwaarbewapende 14-jarige kansenparel in een BMW-cabrio.

Etymologie

* in de jaren 10 van de 21e eeuw in uiterst rechtse kringen gangbaar geworden sarcastische combinatie van twee termen die wel eens worden gebruikt door voorstanders van een ruimhartig toelatingsbeleid