kapoen

mannelijk (de)/kaˈpun/

Wat is de betekenis van kapoen?

kapoen betekent: gesneden of gecastreerde haan

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gesneden of gecastreerde haan
  2. iemand die ondeugend is

Voorbeelden van "kapoen" in een zin

  • {{ouds
  • {{ouds

Betekenis en uitleg van kapoen

Een kapoen is een gecastreerde haan die speciaal wordt gehouden voor zijn vlees. Deze behandeling zorgt ervoor dat de haan minder agressief is en meer gewicht kan aankomen, wat hem tot een smakelijke delicatesse maakt.

Het woord 'kapoen' wordt vaak gebruikt in de culinaire wereld, vooral in verband met traditionele gerechten. In sommige culturen is kapoen een bijzonder feestgerecht, bijvoorbeeld tijdens speciale gelegenheden zoals kerst of bruiloften. Het woord kan ook een nostalgische lading hebben, aangezien kapoenen in het verleden veel vaker werden gehouden dan tegenwoordig.

Voorbeelden

  • Op het menu stond een heerlijke gebraden kapoen, perfect gekruid en langzaam gegaard.
  • Tijdens de feestdagen kopen veel mensen een kapoen om hun gasten te verrassen met een luxe maaltijd.
  • Mijn opa vertelde altijd verhalen over de tijd dat hij zelf kapoenen fokte op de boerderij.

Woordoorsprong

Het woord 'kapoen' komt van het Latijnse 'capo', wat 'hoofd' betekent, en verwijst naar de gecastreerde status van de haan.

Veelgestelde vragen over kapoen

Wat is de betekenis van kapoen?

kapoen betekent: gesneden of gecastreerde haan

Hoeveel betekenissen heeft kapoen?

kapoen heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft kapoen?

kapoen is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van kapoen?

Synoniemen van kapoen zijn: deugniet, kwajongen.

Hoe gebruik je kapoen in een zin?

Voorbeeld: “{{ouds

Etymologie

* Leenwoord uit het (Noordfranse) "capon" (mod. "chapon") , in de betekenis van ‘gecastreerde haan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelscapon
Franschapon
DuitsKapaun
Spaanscapón
Italiaanscappone
Portugeescapão
Russischкаплу́н
Zweedskapun
Deenskapun