kapstok

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een meubelstuk bedoeld om jassen en hoeden aan op te hangen
    Ik pakte mijn jas van de kapstok en liep de deur uit. {{Aut|Sandes, David
  2. figuurlijk (figuurlijk) aanknopingspunt

Etymologie

* In de betekenis van ‘lat om kledingstukken aan te hangen’ voor het eerst aangetroffen in 1669

Vertalingen

Fransporte manteau
Spaansperchero