karakter

onzijdig (het)/ˈkarɑktər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aard, geaardheid, inborst, natuur, wezen
    Hij is erg zacht van karakter.
    Albert Maillard. Hij was een slanke jongen met een enigszins traag, bescheiden karakter. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Eleonor, die zo geoefend is in het uitwisselen van beleefdheden, verraadt haar zure karakter met een zelfgenoegzaam lachje.
  2. persoonlijkheid
    In zijn eigen woorden wilde hij 'kleur terugbrengen op de wangen van de vereenzaamde en opgesloten jongens, door hun lichamen en karakter te harden door de risico's en zelfs de excessen van sport'.
  3. een persoon met uitgesproken eigenschappen
    De volgende dagen liepen we vaak de eerste paar uur samen op, hoewel we allebei graag alleen wilden lopen. Het was een soort lange scène uit een Woody Allen film waarin we alles en iedereen analyseerden en vervolgens fileerden. We bespraken de verschillende karakters die we tegen waren gekomen op de trail.
  4. een glief zoals een letter, figuur, symbool
    Er stond een karakter verkeerd, maar de tekst was nog goed te lezen.

Etymologie

*Van Grieks charaktèr (stempel als stempelresultaat, kenmerk). Van Grieks charassein (inkrassen). Van charax (paal).

Vertalingen

Engelscharacter, character
DuitsCharakter, Charakter
Spaanscarácter, índole
Poolscharakter