karamel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌkaraˈmɛl/

Wat is de betekenis van karamel?

karamel betekent: (voeding) gebrande suiker

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) gebrande suiker
  2. snoepgoed (snoepgoed) snoepje gemaakt van gebrande suiker

Voorbeelden van "karamel" in een zin

  • Ik kauwde zorgvuldig om optimaal te genieten van de nougat, pinda’s, karamel en melkchocolade.

Etymologie

* via "caramel" en "caramelo" van Latijn "cannamella", van "canna" "riet"' en "melleus" "als honing, "honingzoet", het deel "canna" vindt men ook terug in woorden als canon, kanaal, kaneel en kanon; in de betekenis van ‘gebrande suiker’ voor het eerst aangetroffen in 1847

Vertalingen

Engelscaramel
Franscaramel
DuitsKaramell
Spaanscaramelo