karos

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een gesloten koets waarbij de cabine met riemen flexiebel aan de wielassen is opgehangen
    De koets kent een lange historie van controverse. In 1897 riep Maximiliaan Hermans, socialistisch activist in de hoofdstad, in een pamflet mede-Amsterdammers op winkels te boycotten die hielpen geld in te zamelen voor wat hij noemde ‘De Gouden Kwartjeswagen’. De bouw van de Gouden Koets, die na vandaag drie tot vier jaar in onderhoud gaat, was in volle gang. De koninklijke karos zou een jaar later als geschenk van het Amsterdamse volk aan de nieuwe koningin Wilhelmina worden gegeven.NRC 15 september 2015
    Onze eerste zorg bij aankomst in Parijs is, na onderdak, ons een stel huurknechten te verschaffen die ons de weg kunnen wijzen. We willen niets liever dan alles te weten komen. We komen en gaan, stappen karos in en karos uit, gaan laat naar bed en zijn voortdurend onderweg en de baan op.Volkskrant 29 juli 2015 dagboek van Sigismund van Heiden Reinestein 29 juli 1764
  2. bijnaam voor auto
  3. geslacht , hooiwagens uit de familie

Etymologie

*uit het Latijn

Uitdrukkingen

  • iemand voor zijn karos spanneniemand misbruiken voor zijn eigen doelstellingen, iemand voor zijn karretje spannen

Vertalingen

Engelscoach