kartets

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑrˈtɛts/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bus met kogels die men met een houwitser of een kanon wegschiet
    Op dat moment openden de Zweden het vuur met kartets.
  2. grote mooie knikker

Etymologie

*via "Kartätsche" van "cartuccia"