kastelein

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis (geschiedenis) de plaatsvervanger van de kasteelheer in het beheer van het kasteel
    Coenraad Cuser, in 1400 kastelein van Teylingen en raad van hertog Albrecht, wordt nog voor het laatst vermeld in 1405.
  2. geschiedenis (geschiedenis) een belangrijke ambtenaar die in dienst stond van de landheer en optrad in de rechtspraak en bestuur
  3. verouderd, beroep (verouderd) (beroep) een kroeg- of herberguitbater
    De kastelein goot mijn glas opnieuw vol.

Etymologie

*Afkomstig van het Latijnse castellanus (kasteelheer, slot- of burchtvoogd, burggraaf).