katje

/ˈkɑcə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. benaming voor de bloeiwijze van sommige planten en bomen
  2. buikpotigen (buikpotigen) benaming voor verschillende soorten slakken uit de familie met glanzend gekleurde schelpen, gebruikt voor versiering en als ruilmiddel

Etymologie

*[3] omdat vorm en kleur soms doen denken aan een liggende kat