kauri

mannelijk (de)/ˈkɑuri/

Wat is de betekenis van kauri?

kauri betekent: (buikpotigen) benaming voor voor verschillende soorten slakken uit de familie met glanzend gekleurde schelpen, gebruikt voor versiering en als ruilmiddel

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. buikpotigen (buikpotigen) benaming voor voor verschillende soorten slakken uit de familie met glanzend gekleurde schelpen, gebruikt voor versiering en als ruilmiddel
  2. coniferen (coniferen) conifeer die voorkomt in Nieuw-Zeeland, waarvan het hout en de hars nuttige toepassingen kennen
zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde (materiaalkunde) hout afkomstig van de Nieuw-Zeelandse naaldboom

Voorbeelden van "kauri" in een zin

  • ‘Jij hebt het over honderd armbanden,’ zei Wosu. ‘Ik heb alleen mijzelf kunnen voorzien. Ik heb er nog geen kauri aan overgehouden.’
  • Ook vond men hier de kauri, kleine schelpen die op verschillende plaatsen in Indië als pasmunt golden.
  • Het is maar goed, dat het reservaat er is, want anders zou de kauri zijn - uitgestorven als de zeehond in het zuiden en de walvis in het noorden.
  • Kauri is waardevol bij de fabricage van triplex.

Etymologie

*[2] van "kauri"