keer

mannelijk (de)/ker/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
    Die fout maak je elke keer.
    "Het is dit jaar voor eerst dat we het effect zo duidelijk zien", zegt voorzitter Rachel Heijne van Kringloop Nederland. "We zien ook dat de kwaliteit van spullen gewoon echt slecht is. Het is kleding die na een paar keer wassen kapot gaat. Die kun je niet in de kringloop verkopen.

Uitdrukkingen

  • geen enkele keernooit
  • voor de eerste keervoor het eerst
  • voor de laatste keervoor het laatst

Vertalingen

Engelstime
Fransfois
DuitsMal
Spaansvez
Zweedsgång