keggen

/ˈkɛɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. met een wig uit elkaar duwen of vastklemmen
    Houten balken versplinterden onmiddellijk zodra men probeerde de lading te keggen of vast te zetten.

Etymologie

*: "keg" of "kegge" met de uitgang -en