kennen
/ˈkɛnə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) bekend, vertrouwd zijn metKen je de nieuwe overburen al?Tijdens het koken zat iedereen elkaar continu te stangen alsof we elkaar al jaren kenden.
- (ov) door studie of oefening geleerd hebbenIk ken de leerstof grondig genoeg.
- het wel moeten ~: vaak ergens door getroffen wordenJe hebt het de laatste maanden wel moeten kennen, zeg! Eerst die ziekte, nu weer dat ongeluk!
- (ov) iets ondervinden, doormaken, ervarenIn de jaren tachtig kende Nederland een langdurige crisis.
Etymologie
:Oost: : kannjan
Uitdrukkingen
- Ik kende geen els uit een eik. — Ik kon geen els van een eik onderscheiden.
- Aan de veren kent men de vogel — aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt. De kleren maken de man.
- Aan de vruchten kent men de boom — je kunt alleen iemand echt leren kennen door de dingen die doet en de manieren waarop iemand dingen aanpakt
- Bij het scheiden van de markt, leert men de kooplui kennen — als de zaken eenmaal gedaan zijn leer je iemand pas kennen
- De kaart kennen
- De tijd kent geen genade — de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt
- Geen a voor een b kennen
- Het klappen van de zweep kennen — veel ervaring hebben met iets
Vertalingen
Engelsknow, be acquainted with, know
Fransconnaître, connaitre, connaître
Duitskennen, kennen
Spaansconocer, saber
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek