kerkklok

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɛrᵊˌklɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) een bel in de toren van een kerk
    Je kan de kerkklok zelfs hier helemaal horen.
    Op zondagochtend fietste ik richting onbekende kerkklokken om te zien of de gemeente en de sfeer daar iets voor mij was.
  2. uurwerk op een klokkentoren
    Door de ramen van de gang kan ik juist op de kerkklok kijken, en tot m'n grote verlichting zie ik dat 't nog maar vijf minuten voor drie meer is.

Vertalingen

Engelschurch bell, church clock
Franscloche d'église
DuitsKirchenglocke
Zweedskyrkklocka