kerkmeester
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- beheerder van een kerkgebouw' Of schoon deze invitatie vergezeld ging van een revérence die het hart van een kerkmeester wellicht zou hebben vertederd, liet de bode er zich echter geenszins door vermurwen.Hij was in gezelschap van zijn assistent, die pigmenten stond te mengen, een kerkmeester die voor een portret poseerde en zijn schoonmoeder, die elders in huis het huishouden deed.
- lid van het kerkbestuur
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek