kerkorgel

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pijporgel dat zich bevindt in een kerkgebouw
    Maar dat klopte toch ook met zijn diagnose? Als er één muziekinstrument aan tympanites leed was het wel de doedelzak. Ook de felheid waarmee de Dubbeldopers zich tegen het kerkorgel kantten werd hem nu klaar: voor hun eredienst hadden zij al een veel mooier muziekinstrument.
    Vleermuizenpoep maakt grondige opknapbeurt kerkorgel St.-Bavo nodig

Vertalingen

Engelschurch organ