Kerkpad

onzijdig (het)/ˈkɛrᵊkˌpɑt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voetweg op het platteland die bewoners konden gebruiken om naar de kerk te gaan
    Het meisje dat eerste communie gaat doen, heeft een roze jurk die drie keer zoveel weegt als zij zelf. Ze kan nauwelijks bewegen. Strompelend gaat ze over het kerkpad.
    De auto bij het gele kerkje van Soest parkeren, had de gereserveerde, zonder franje formulerende, ietwat nasale stem gezegd. Dan vindt u het kerkpad vanzelf. Dat klopt. We lopen het pad op.