kermisvolk

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mensen die betrokken zijn bij circusvoorstellingen
    De Jordaan met zijn bonte nijverheid, de geldwegende joden in de pothuizen, het kermisvolk in de herberg van de Olifant, de Nieuwmarkt met zijn varensgasten op zoek naar een huur, het boldcingvrouwtje naast de beurs, de overkragende huizen boven schemerstegen, de bedrijven en opstallen van de voc waar ik Perk mee naar toe heb genomen, alles gehuld in een weeë lucht van traan en tropen, de plotselinge aanplakbiljetten overal dat morgen de wereldberoemde rinoceros Clara te bezichtigen zal zijn op het Amstelveld — de stad is een bloemenveld, elke indruk een bedwelmende geur, haar licht lyriek.
    De tijd dat tatoeages werden geassocieerd met zeelui, boeven en kermisvolk is passé. Het 'stempel' van asociaal is vervaagd, met dank aan voetbalsterren en BN'ers, van David Beckham tot Arie Boomsma.