kink

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɪŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) door torderen ontstane kronkel in een (staal-)kabel, touw of snoer
    De zeilen zijn nu voorzien van kinkvrije schoten.
  2. deuk

Etymologie

* In de betekenis van ‘kronkel’ voor het eerst aangetroffen in 1636

Uitdrukkingen

  • Een kink in de kabelOnverwachte pech of tegenslag[https://web.archive.org/web/20150405022402/https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/een-kink-in-de-kabel onzetaal.nl]