kip
vrouwelijk (de)/kɪp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (hoendervogels) (vrouwelijke) gedomesticeerde vogel van het geslacht huishoen,Isaac trok een kip uit de tas, haar losse veren dwarrelden op de grond en haar schilferige poten bungelden grappig in de lucht.
- (voeding) kippenvleesTegen de tijd dat de kip uit de oven kwam, wist Olive zeker dat ze een nieuw dienstmeisje hadden.Barbie en ik sloten ons uren op in de keuken om het feestmaal voor te bereiden. Hij concentreerde zich op het maken van taco’s en ik stortte me op een spinaziesalade, vol noten, geitenkaas en kip.
- (scheldwoord) politieagent
- (scheldwoord) iemand van het vrouwelijk geslacht
- munteenheid van Laos, eigenlijk Laotiaanse kip (code LAK volgens ISO 4217)
Etymologie
*[5] van "ກີບ" (kip)
Uitdrukkingen
- Als de vos de passie spreekt, boer pas op je kippen (ganzen). — pas op voor slijmballen, ze willen altijd wat van je; als een bedrieger vrome dingen zegt moet je extra voorzichtig met deze persoon zijn
- Als een kip zonder kop — zonder beraad, onbesuisd, ongericht
- De kip met gouden eieren slachten — Een iets met veel rendement wegdoen
- Er als de kippen bij zijn — Er snel bij zijn
- Het ei wil wijzer zijn dan de kip. — Het kind denkt het beter te weten dan de ouder
- Met de kippen op stok gaan — Vroeg naar bed gaan
- [1] Kip, ik heb je!
- er was geen kip — er was niemand
Vertalingen
Engelschicken, chicken
Franspoulet, poulet
DuitsHuhn, Hühnchen, Huhn
Spaansgallina, pollo, carne de pollo
Italiaanspollo, gallo, gallina
Portugeesfrango, galinha, franga
Russischцыплёнок, курица, курятина
Japans鶏
Arabischدّجاج
Turkspiliç, tavuk
Poolskurczak, kura
Zweedshöna, kyckling
Deenshøne
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek