kiwi
mannelijk (de)/ˈkiwi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (loopvogels) benaming voor vogels uit het geslacht , die voorkomen in Nieuw-Zeeland
- (fruit) harige, bruine vrucht met groen vruchtvlees van het plantengeslacht
- (figuurlijk) bijnaam voor mensen afkomstig uit Nieuw-Zeeland
Etymologie
**[2] in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1977
Vertalingen
Engelskiwi, kiwi, kiwi fruit
Franskiwi, aptéryx, kiwi
DuitsKiwi, Kiwifrucht
Spaanskiwi
Italiaanskiwi, kiwi
Portugeesquiuí
Russischкиви
Chinees奇異果
Japansキウイフルーツ
Koreaans참다래
Arabischكيوي
Turkskivi, apteriks, kivi
Poolskiwi
Zweedskiwi
Deenskiwi, kiwifrugt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek