klats

mannelijk (de)/klɑts/

Betekenis

tussenwerpsel
  1. geluid van een klap met iets dat een veerkrachtig of vloeibaar oppervlak heeft
    Wederom sloeg de vuist in het gelaat, recht in de ogen, tegen de neus, in de maag, onder de kin. ‘Alsjeblieft! Die is voor jou! En deze ook! Je weet zeker wel waarvoor! En hier, klats, moge het je bekomen!’
zelfstandig naamwoord
  1. klap met iets dat een veerkrachtig of vloeibaar oppervlak heeft
    ‘Dat mag je niet, stoute jongen’, zegt Meer tegen Lowieke en als ie begint te huilen, geeft ze 'm 'n klats over z'n broek.
zelfstandig naamwoord
  1. kleine hoeveelheid vloeibaar of strooibaar materiaal
    Als hij durfde omkijken, moest er een klaar zijn om hem in het gezicht te spuwen. Ja met een goeie vette klats, zo'n bruine van een peelwerker.
  2. restant drank of voedsel

Etymologie

*(klanknabootsing), cognaat met "Klatsch"