klein duimpje

mannelijk (de)/klɛinˈdœympjə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sprookjesfiguur van een jongetje zo klein als een duim, dat een mensenetende reus te slim af is
    Over de zeer summiere informatie die daar met betrekking tot collega-student Diederik Geelhoed wordt verstrekt, leest men gemakkelijk heen: een spoor, ijl, als het broodkruim van Klein Duimpje, maar mijns inziens toch verwijzend naar de plaats des onheils.
    Maar een kleine doch zeer geliefde groep wondersprookjes heeft niet de gebruikelijke adolescenten als hoofdpersonen, maar kleine kinderen, zoals de sprookjes van Roodkapje, Klein Duimpje en Hans en Grietje, waarin de ontsnapping van de held en/of heldin uit de klauwen van een mensenetend bovennatuurlijk wezen (reus, heks) of dier centraal staat.

Etymologie

*, , geschreven met hoofdletters volgens ; leenvertaling van "Petit Poucet", een figuur uit het gelijknamige sprookje, opgetekend door Charles Perrault in zijn Sprookjes van Moeder de Gans uit 1697, in het Nederlands aangetroffen vanaf 1764

Vertalingen

EngelsTom Thumb
FransPetit Poucet
SpaansPulgarcito