kleindochter

vrouwelijk (de)/ˈklɛɪndɔxtər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
    Henny Huisman kwam er via verslaggevers van Shownieuws achter dat hij overgrootvader werd. Dat vertellen zijn kleindochter Emma (19, links op de foto) en haar vriend Maurits zondag in een YouTube-video.

Etymologie

*uit Frans petit-fille,

Vertalingen

Engelsgranddaughter
Franspetite-fille
DuitsEnkelin
Spaansnieta