kleinigheid
vrouwelijk (de)/ˈklɛinəxˌhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets onbelangrijks"Ik heb een brief van onzen Frederik ontvangen, die mij, uit hoofde van eene tusſchenkomende kleinigheid, heeft doen beſluiten, om weder naar Antwerpen te keeren".
Etymologie
*afgeleid van kleinig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek