klepel
mannelijk (de)/ˈklepəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- peervormige staaf die in een klok bij het luiden tegen de rand slaat en zo de klok geluid doet geven
Etymologie
* van kleppen
Uitdrukkingen
- Hij heeft de klok wel horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt — hij heeft iets gehoord, trekt conclusies, maar kent niet het totaalplaatje
Vertalingen
Engelsclapper
Fransbattant
DuitsKlöppel
Spaansbadajo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek