klep
mannelijk/vrouwelijk (de)/klɛp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- scharnierend bevestigde afsluiting die open en dicht kanHij klapte de klep van de piano open en slaat wat tonen aan.
- (informeel) orgaan in het hoofd van humanen waar ongewenst geluid uit komt, mondKun je niet 1 minuut je klep houden?
- (informeel) iemand die zijn 'klep' teveel gebruikt ouwehoer
- (techniek) ventiel waarmee men gedoseerd stoffen (gas, vloeistof, poeders) van de ene ruimte naar de andere kan doen overgaanDe motor heeft vier kleppen per cilinder.
- ver uitstekende rand aan een hoofddeksel om te voorkomen dat de zon in het gelaat schijnt (-> zonneklep)
- klep van een broek: een deel van het zitvlak van een broek dat kan worden weggeklapt bij de toiletgang zodat men niet de hele broek hoeft uit te doen
Etymologie
* In de betekenis van ‘klepper, deksel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1490
Vertalingen
Engelslid, valve
Fransabattant
Spaansbatiente, valva, válvula
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek