kletsbui

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈklɛtsbœy/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode waarin mensen sterke behoefte voelen om een praatje te maken
    De telefoon stond niet stil en Donna was in een van haar kletsbuien.
    Ik moest wachten tot Rayan en Jon sliepen; ze waren in een kletsbui en ik wilde niet dat iemand me het Instituut uit zag gaan.
    Als ze een van haar kletsbuien heeft, zegt ze soms wel tien keer achter elkaar dat ze er lak aan heeft dat zowat iedereen erop neerkijkt.
  2. meteorologie (meteorologie) kortstondige periode met harde regen
    Wat hoorden ze? Een donderslag! En wat kwam daarna? Een geweldige kletsbui!
    We trokken uit met mooi weer, we kwamen soms thuis in kletsbuien.