kleuren

/ˈklørə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) van kleur voorzien met potloden, stiften, waskrijt etc.
    Wat heb je dat mooi gekleurd.
  2. erga (erga) een kleurverandering ondergaan
    Hij kleurt van woede.
    Zijn das kleurt goed bij dat overhemd.
    De volgende ochtend viel meteen op hoe stil het buiten was. Ik duwde de deur met beide handen open en zag dat er ’s nachts een dik pak sneeuw was gevallen, waarvan een stukje geel kleurde toen ik er mijn waterfles in leegde.

Vertalingen

Engelscolour
Franscolorer
Duitsfärben
Spaanscolorar, colorear, teñir
Italiaanscolorare